Lezing ONDERWIJS: 'Handout' Esther van de Wouw

Lezing ONDERWIJS: 'Handout' Esther van de Wouw

‘De opvatting dat kennisoverdracht op school centraal moet staan komt voort uit economisch fundamentalisme’
Pedagoog Micha de Winter over verbinding als centrale waarde in onderwijs en opvoeding
De afgelopen jaren en decennia wordt in toenemende mate vanuit economisch en efficiencybelang naar het basis- en voortgezet onderwijs gekeken. In dat denken staat de term ‘opbrengstgericht onderwijs’ centraal. Daarbij wordt ‘opbrengst’ smal en eng gedefinieerd, namelijk zuiver vanuit economisch perspectief onderwijs moet kinderen voorbereiden op de kenniseconomie. Wie doorvraagt naar de achtergronden van deze onderwijsopvatting, stuit op een flinterdunne argumentatie die in één zin is samen te vatten: China levert per dag evenveel ingenieurs af als Nederland in een heel jaar. Die redenering wordt ingegeven door angst om achter te blijven in de mondiale economie. Als ik in Den -Haag rondloop, hoor ik van iedereen diezelfde angstredenering. Ministers, Kamerleden en ambtenaren praten elkaar kritiekloos na. Terwijl kritisch nadenken ook in dit geval tamelijk noodzakelijk is, want de redenering voor opbrengstgericht onderwijs is gebaseerd op de onbewezen hypothese dat we de mondiale ‘ratrace’ van de kenniseconomie alleen kunnen bijhouden als scholen zich hoofdzakelijk richten op kennisoverdracht op het gebied van de ‘economisch nuttige vakken’ rekenen en taal.
Met deze hypothese worden alle andere opvattingen over onderwijs met één grote beweging van tafel geveegd. Dat is ongelofelijk dom en kortzichtig. Allereerst is breed en vormend onderwijs met aandacht voor culturele en sociale ontwikkeling een waarde op zichzelf. Iemand die zich breed ontwikkelt leidt een rijker leven. Maar daarnaast zijn er belangrijke economische argumenten voor vormend onderwijs.
Want wie in de eenentwintigste eeuw succesvol wil zijn, komt er echt niet als hij zich beperkt tot investeren in kennis, zeker niet als het gaat om kennis van slechts een paar ‘kernvakken’. Het draait in de mondiale economie juist meer en meer om creativiteit en innovatief vermogen. En niet te vergeten om het ontwikkelen van sociale vaardigheden en empathie, zodat je je kunt inleven in de mensen waarmee je handel drijft en zaken doet.
Ga het bos in
De wijdverbreide politieke opvatting dat onderwijs zich in eerste instantie moet richten op het overdragen van kennis op het gebied van ‘de kernvakken’ rekenen en taal is dus vanuit economisch perspectief zélf van een tamelijk onnozele eenzijdigheid. Want om economisch succesvol te zijn is heel wat meer nodig dan rekenen taalvaardigheid. Maar nog belangrijker is de constatering dat het idee dát de school voornamelijk een economisch doel dient op zichzelf al beperkt is. Dit nuttigheidsdenken is een vorm van economisch fundamentalisme. Alsof er maar één ding van belang is in de wereld en in het leven: economische groei.
Willen we komen tot evenwichtig onderwijs, dan moeten we de redenering omdraaien en niet langer uitgaan van de vraag wat vanuit economisch perspectief bezien de eisen aan de school zouden moeten zijn. Integendeel: we moeten kijken vanuit het perspectief van het kind. Wat heeft het kind nodig om op te groeien en zich te ontwikkelen? En wat heeft hij later als volwassene nodig om een bijdrage te leveren aan de samenleving? Die vragen zouden centraal moeten staan als het gaat om de inrichting van het onderwijs en de pedagogische benadering van kinderen en jongeren.
Het begrip ‘verbinding’ is het hart van het antwoord op deze vragen. Dat begrip heeft op twee manieren betekenis in het onderwijs: in relatie tot het opdoen van kennis, en in relatie tot de sociale ontwikkeling van het kind en de samenhang in de samenleving.
Om bij het eerste te beginnen: kennisoverdracht. Het overdragen van kennis is iets heel anders dan het efficiënt injecteren van abstracte data in de hoofden van kinderen. Onderwijs moet niet draaien om het overdragen van abstracte kennis, maar zich juist richten op het betekenis geven aan kennis. Dat laatste gebeurt pas als de leraar en de school in staat zijn om de kennis die wordt geleerd te verbinden met de wereld en de beleving van kinderen. Pas dan krijgt kennis ook een waarde en wordt het meer dan abstracte informatie.
Neem het vak biologie. Je kunt kinderen op een theoretische manier van alles leren over processen in de natuur, maar die kennis krijgt pas relevantie voor kinderen – of beter: er gebeurt pas wat mee in de hoofden en harten van kinderen – wanneer je met de klas regelmatig naar het bos gaat en kinderen laat zien wat die processen in de praktijk betekenen. Zo zien leerlingen dat de kennis die ze opdoen ook echt ergens over gaat en verbonden is met hun eigen wereld. Of neem geschiedenisonderwijs: je kunt kinderen in theorie leren over de welvaartsontwikkeling in Nederland gedurende de twintigste eeuw, maar die kennis krijgt pas betekenis als ze bijvoorbeeld ontdekken in welke omstandigheden hun eigen familieleden van twee of drie generaties terug leefden. Ook hier gaat het dus om het verbinden van kennis met het leven en de wereld van leerlingen.
Onderwijsvormen die kennis verbinden met concrete ervaringen, zagen we al in de eerste helft van de twintigste eeuw ontstaan in de opvattingen van vernieuwingspedagogen als Freinet en Kees Boeke.
Hier en daar zijn ze inmiddels ook doorgedrongen op scholen die zich niet specifiek op hun gedachtegoed baseren. Toch staat dit type onderwijs tegenwoordig sterk onder druk. Dat heeft deels te maken met het eenzijdige accent op kennisoverdracht, in de onderwijspraktijk vaak vertaald naar het overdragen van theoretische kennis. Ook de toenemende digitalisering van het onderwijs speelt mee: lesmethodes en didactische modellen bieden steeds minder ruimte voor het opdoen van echte, fysieke ervaringen. De ervaringen die leerlingen opdoen zijn voor een steeds groter deel virtueel. Verder staan ook bredere maatschappelijke ontwikkelingen in dit opzicht in de weg.
Neem de toegenomen aandacht voor veiligheid. Een leraar die met zijn klas naar het bos gaat krijgt onherroepelijk de vraag voorgelegd wie al die kinderen daar in dat bos in de gaten houdt.
Output-terreur
Het accent op economisch nuttige kennisoverdracht leidt ertoe dat scholen tegenwoordig te maken hebben met een toenemende druk om te ‘presteren’. Politiek en inspectie rekenen scholen af op
leeropbrengsten en op smal gedefinieerde resultaten (Cito-toetst).
Dat leidt ertoe dat leraren en scholen steeds minder ruimte hebben om de kennis die ze overdragen, te verbinden met de eigen wereld van de kinderen. Met als gevolg dat de kennis zonder betekenis blijft.
Ik was een tijd geleden op bezoek bij een geschiedenisles in het voortgezet onderwijs. Het was de ochtend na de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De leerlingen waren vol van de verkiezingen. Ze wilden er maar wat graag de hele geschiedenisles over praten. Maar de docent zei: ‘Dat begrijp ik best, maar we moeten ons Examenprogramma afwerken. Sla je boek open, we gaan nu naar 1880.’
In mijn ogen is de reactie van de docent een gevolg van de outputterreur waar scholen door de politiek en de inspectie aan worden onderworpen. Dat output-denken laat veel te weinig ruimte voor een eigen invulling en voor het inspelen op de interesses van leerlingen.
Daardoor wordt het lastig om de kennis die je leerlingen bijbrengt betekenis te geven en te verbinden met hun eigen leven. Natuurlijk kun je als docent niet op alle grillen van de leerlingen ingaan en hoor je de lijn vast te houden van je lessen. Maar tegelijkertijd moet je de ruimte hebben om te variëren en om de onderwerpen waar je leerlingen mee bezig zijn als een van de uitgangspunten te nemen vanje onderwijs. Doen school en leraar dat niet en objectiveren ze hun taak (‘wij zijn er om kennis over te dragen’), dan komen ze heel ver afte staan van de levens van hun leerlingen.
Kennen en gekend worden
Als het gaat om de invulling van onderwijs, hoort het verbinden van kennis met het leven van de leerlingen en met de wereld om hen heen dus een belangrijk uitgangspunt te zijn. Maar zoals gezegd, is het begrip ‘verbinding’ ook vanuit sociaal oogpunt relevant
voor het onderwijs. Uit wetenschappelijk onderzoek komt overduidelijk naar voren dat kinderen beter functioneren als ze zich onderdeel voelen van een gemeenschap. Kinderen – maar niet alleen zij – willen kennen en gekend worden. Ze hebben een gevoel van verbondenheid nodig. Dat betekent dat scholen kleinschalig en persoonlijk moeten zijn. De economisering van het onderwijs heeft de afgelopen jaren juist geleid tot een tegenovergestelde beweging en tot het ontstaan van grote anonieme leerfabrieken. Willen we in de toekomst naar vormen van onderwijs die zijn gebaseerd op de vraag wat kinderen nodig hebben in hun opvoeding, dan zullen we dus af moeten van die grootschaligheid.
Maar dat is niet het enige. Kinderen hebben er belang bij als hun opvoeders – te weten: ouders en school- elkaar zo veel mogelijk weten te vinden en met elkaar verbonden zijn. In pedagogisch opzicht is het namelijk funest als kinderen van hun ouders boodschap X meekrijgen en van hun school de tegenovergestelde boodschap Y. Helaas is dat juist een situatie die we in toenemende mate zien ontstaan in het hedendaagse onderwijs. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met het feit dat scholen steeds meer onderdeel zijn geworden van een markt en zich hebben ontwikkeld tot leveranciers van producten. Een school lijkt daardoor steeds meer op een bedrijf. Ze moeten transparant zijn en worden afgerekend op de behaalde scores op de eindtoets of het eindexamen.
Als een school een leverancier wordt, gaan ouders zich gedragen als klanten en consumenten. Als de school iets doet wat hun niet bevalt, gaan ouders mopperen, klagen of procederen. Of ze lopen naar een andere leverancier. De school en de ouders staan door deze ontwikkeling niet langer naast elkaar in de opvoeding, maar juist tegenover elkaar. Dat vergroot het risico op tegenovergestelde pedagogische boodschappen aan het kind. Dat is verwarrend voor kinderen en niet bevorderlijk voor hun ontwikkeling. Integendeel.
Hoe sterk ouders en school tegenover elkaar kunnen komen te staan, wordt geïllustreerd door de manier hoe beide omgaan met problemen in de opvoeding. Dat is de afgelopen decennia sterk veranderd. Als in de jaren vijftig een kind op school uit de klas werd gestuurd, kreeg het een briefje mee naar huis over wat er was gebeurd. Thuis volgde nogmaals een reprimande. Er was met andere woorden eenheid in de opvoedkundige boodschap van school en ouders. Met de toenemende mondigheid van burgers ontstond later de situatie dat de school een boze ouder aan de telefoon kreeg – ‘jullie hebben de pik op dat joch!’ – in het geval het kind op school straf had gekregen. De jongste loot aan deze stam is dat de school niet langer een ouder aan de telefoon krijgt maar de advocaat van de ouder. Ik was pas op een school voor voortgezet onderwijs. De directrice vertelde dat ze al een aantal jaren een potje geld heeft voor juridische bijstand tegen klagende ouders.
De school als samenleving
Verbinding als centrale waarde in het onderwijs is van groot belang voor de toekomstige ontwikkeling van de samenleving. Onze democratische samenleving en onze vrijheid zijn niet vanzelfsprekend. Net zomin als onderliggende waarden zoals tolerantie en solidariteit. We moeten er iedere dag hard aan werken.
Niet in de laatste plaats in het onderwijs. De school voedt immers de mensen op die in de toekomst de samenleving vorm zullen geven. Juist als het gaat om deze basiswaarden kan de school zich niet beperken tot theoretische kennisoverdracht. Het gaat erom jongeren te leren wat het betekent om samen te leven, wat het vraagt om om te gaan met andere mensen, verantwoordelijkheid te nemen en hun eigen rol in de samenleving vorm te geven.
De school is de uitgelezen plek om die verbindende waarden te leren en te ervaren. Een school is immers een gemeenschap op zichzelf. Het is een samenleving in het klein. In die zin heeft de school een bijzonder belangrijke pedagogische en opvoedkundige opdracht. Te veel gericht zijn op kennisoverdracht is ook in deze zin eenzijdig. Het ondermijnt op termijn de waarden waarop onze samenleving is gebouwd.
Dat is juist in een tijd van economische crisis gevaarlijk. De geschiedenis heeft geleerd dat economische crises volledig kunnen ontsporen en kunnen leiden tot polarisatie, haat en politiek fundamentalisme. De afgelopen jaren zien we in Nederland en de ons omringende landen de eerste schermutselingen op dat vlak.
Dat onderstreept het belang van sociale vorming in het onderwijs, kleine scholen en hechte gemeenschappen. En ook van een actief beleid binnen de scholen gericht op participatie van leerlingen. Ze horen op school een stem te hebben en mee te praten over afspraken en regels die op school gelden. Want juist door leerlingen actief
te betrekken bij de gemeenschap van de school, krijgen ze de kans hun ‘samenlevingsvaardigheden’ te ontwikkelen. Dat kan op een heel concrete en gerichte manier. Ik ben zelf als onderzoeker nauw betrokken bij het project de Vreedzame School, waar steeds meer basisscholen in het land zich bij aansluiten.72 In dat project wordt de school gezien als een leergemeenschap waarin kinderen een stem krijgen en leren om samen beslissingen te nemen en conflicten op te lossen. Op die manier ontwikkelen kinderen vaardigheden die de basis vormen van onze democratische samenleving.
Zoals ik eerder zei, wordt de afgelopen jaren en decennia in toenemende mate vanuit een economisch belang naar onderwijs gekeken. De school als instituut om kinderen op te leiden voor de kenniseconomie. Zoals gezegd, is dat een bijzonder beperkte onderwijsopvatting. Het is bovendien gevaarlijk omdat het de belangrijke opvoedende taak van de school ontkent en daarmee de basiswaarden van onze samenleving ondergraaft.
De economische benadering van onderwijs komt voort uit de neoliberale opvatting alsof het in het leven zou gaan om economische groei en om geld verdienen, rijk worden en graaien. Sinds de kredietcrisis is duidelijk waartoe dat eenzijdige denken leidt: ontwrichting van de economie, hoge werkloosheid – zie landen als Griekenland en Spanje – en toenemende spanning in de samenleving.
Juist de crisis waar het neoliberalisme ons in heeft gestort, onderstreept het belang van breed onderwijs waarin aandacht voor democratische waarden en solidariteit een centrale plaats hebben. Immers, om de samenleving bij elkaar te houden in tijden van crisi zijn juist die waarden cruciaal. Onderwijs moet gaan over de vraag hoe ik mijn leven, samen met anderen, een zinvolle invulling kan geven. Dat is wat filosoof Isaiah Berlin positieve vrijheid noemt.
Alleen kennis opdoen van rekenen en taal is daarvoor niet genoeg. De school als opvoederNiet alleen de ouders, ook de onderwijzer en de school zijn opvoeders. Niet iedereen is het met die constatering eens. Met namevanuit de redenering dat de school er in eerste instantie is voor het overdragen van ‘economisch nuttige’ kennis, wordt de taak van de school sterk beperkt. Maar dat is naïef, want iedereen dieintensief met kinderen omgaat, is per definitie een opvoeder. Of hij het nu wil of niet. Opvoeden houdt in: voorleven, voorbeeld geven,dingen vertellen uit je eigen leven, waarden en normen naleven, je ervaringen enje wijsheid overdragen. Dat zijn precies de dingen die docenten doen. En dus zijn ze opvoeders pur sang.
Als we in de historie kijken naar het debat over de vraag in hoeverre de school een opvoedende instantie is, zien we een golfbeweging. Er zijn tijden waarin die opvoedende rol wordt ontkend. In zo’n periode leven we nu. Maar er zijn ook jaren waarin juist de roep ontstaat naar meer aandacht voor opvoeding in het onderwijs. Die roep is vaak een reactie op maatschappelijke onrust. Het is dusvaak een hype en houdt ook niet lang stand. De laatste keer dat het onderwijsdebat richting opvoeding opschoof, was in de eerste jarenvan de eenentwintigste eeuw. Dat was een reactie op de aanslagen van 11 september 2001 en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Er ontstond zorg over de sociale cohesie van de samenleving en daarmee vanuit de politiek de oproep om op scholen aandacht te geven aan thema’s als burgerschap en samenleven. Nu we een paar jaar verder zijn, is dat opvoedingsgolfje weer wat weggeëbd en hamert de politiek weer als vanouds op het belang van kennisoverdracht. We kunnen echter verwachten dat ook de komende jaren de aandacht voor opvoeden op school zal toenemen. Zeker wanneer de economische crisis doorzet en hogere werkloosheid de sociale samenhang en de solidariteit in de samenleving onder druk zet.
Mischa de Winter (2013) De opvatting dat kennisoverdracht op school centraal moet staan komt voort uit economisch fundamentalisme. In T. Reyngoud (Ed.) Volgers en vormers. Spraakmakende opinieleiders over de toekomst van het onderwijs (pp. 68-75) Hilversum. Uitgeverij Lias

2 gedachten over “Lezing ONDERWIJS: 'Handout' Esther van de Wouw

  1. Zes scenario’s van de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD)
    Continued unfolding of existing models, ‘the status quo extrapolated’:
    1 Robust bureaucratic school systems
    2 Market-oriented schooling
    Strengthening of present schools with new dynamism, ‘reschooling’:
    3 Centres of community and social capital formation
    4 Focused learning organizations; knowledge agenda
    Future scenarios decline in the position of schools, ‘deschooling’:
    5 Learning networks and the network society as non-formal learning and ICT communities
    6 The meltdown scenario with the driving force is the exodus of teachers – back to basic back-to-basics, large classes and a move to more innovative ways

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.